|
Stuk 17. Suze
‘Spannend hé,’ genoot Joy van het donkere bos om haar heen. Davy keek quasi-bang om zich heen. ‘Ja, héél spannend. Zullen we teruggaan?’ Lachend keken de andere jongens hem aan en gaven hem een duw naar de richting van het donkere bos. Grijnzend stoof Davy ervandoor en ging even verderop achter een boom staan. ‘Oké, Deef, dat is niét grappig!’ riep Suze lachend door het bos. Lachend kwam Davy weer achter de boom vandaan, en begon met een griezelige stem een verhaal te vertellen over Maria, die hier een aantal jaren geleden was verdwenen. Het kamp was alweer bijna voor de helft voorbij. Al 2 dagen zaten ze in de Alpen, en hadden geweldige, en niet geweldige dingen meegemaakt. Zo waren de jongens gesnapt toen ze bij de meiden op de kamer zaten, en was er een hoop geruzie onder de leiding geweest, omdat de ene helft de jongens naar huis wou sturen, maar de andere helft dat te streng vond. De straf was uiteindelijk dat ze niet meer op de jongenskamer mochten slapen, maar bij de leiding sliepen. Gescheiden. Nu was het 12 uur ’s nachts, en ze liepen met een GPS-systeem door het bos. Het was de bedoeling om coördinaten in het GPS-systeem in te voeren, die hen dan naar de volgende plek zou wijzen. Het lastige was, dat het ding hemelsbreed werkte, en je daarom niet wist of je wel het goede pad te pakken had. Ook moest je de vragen maar net goed beantwoord hebben, anders had je de verkeerde coördinaten te pakken. Gelukkig hadden ze zelf de groepen mogen maken, en Youssef, Davy, Kars, Joy en Suze zaten bij elkaar. Genietend van de spanning in hun lichaam liepen ze door het bos. ‘Hoorde ik daar wat?’ zei Kars plotseling, terwijl hij stil ging staan. Geschrokken stond ook de rest stil. ‘Geintje,’ grijnsde hij, terwijl hij de zaklamp onder zijn kin hield om er eng uit te zien. ‘Eikel!’ riep Joy, maar schoot toen in de lach. ‘Maak me nou niet bang, oké?’ Ze liepen weer verder, naar het volgende coördinaat. Daar verderop stond een paaltje waar een reflector aan vast zat. Aan de reflector konden ze zien dat daar de vraag beantwoord moest worden. Ze pakten hun papier erbij, en lazen de vraag voor. ‘Hoe lang duurt de wandeling naar de top van deze berg?’ ‘Oké, dit is té simpel. Hier staat 4 uur. Is dat niet te simpel? Zit er geen addertje onder het gras ofzo?’ vroeg Youssef, terwijl hij met zijn vingers tegen de paal trommelde. Ze bekeken het papier en de paal goed, maar niets bleek eruit dat ze in de val werden gelokt. ‘Antwoord C dus,’ opperde Davy, terwijl hij toen de nieuwe coördinaten in het systeem voerde. ‘Die kant op!’ zei hij toen, ondertussen turend naar het donkere bos voor hen. Weer liepen ze verder, en kletsten gezellig, toch nog wat angstig of er iemand uit de bosjes sprong, maar er gebeurde niks. ‘Hoe laat zou het zijn?’ vroeg Joy toen. Suze pakte haar mobiel, en wou kijken wat de tijd was, maar toen verstapte ze zich, struikelde en liet haar mobiel op de grond vallen. ‘Lekker bezig, meid!’ riep Joy lachend, terwijl ze verder liep. Grinnikend liet Suze zich op haar knieën vallen, en ging op zoek naar haar mobiel. Toen ze het ding voelde, sprong ze overeind, en rende achter de groep aan, die al een redelijk stuk verder was. Liep ze nog wel op het pad? Ach, wat maakte het ook uit. De groep liep voor haar, en die liep wel op het pad. Ze versnelde even, maar plotseling doemde er een groot gat voor haar op. Te laat realiseerde ze zich te stoppen, en viel struikelend het gat in. Haar hoofd sloeg met een doffe klap tegen de grond, haar benen klapten dubbel. Suze probeerde om hulp te roepen, maar ze stootte alleen een laag gekreun uit, maar toen werd het zwart voor haar ogen.
Is dit een droom? Die verschrikkelijke pijn, ondraaglijk! Laat iemand me ervan verlossen! Wat is het hier donker.
Suze opende haar ogen. Het was donker. Het was geen droom. Ze kreunde, en probeerde overeind te komen. Een rauwe schreeuw vulde de stilte. Geschrokken kwam Suze overeind, en beet haar lip kapot van de verschrikkelijke pijn die uit haar enkel vandaan kwam. Weer volgde een rauwe schreeuw. Toen realiseerde Suze dat ze dat geluid zelf maakte. Ze voelde het warme bloed uit haar lip stromen, en zijn weg zoeken in het witte vest dat ze aanhad. Suze zette haar kiezen op elkaar en ging iets gemakkelijker zitten. Een felle pijnscheut schoot weer door haar voet. Suze probeerde het te negeren, maar dat lukte niet, en weer jammerde ze het uit van de pijn. Tranen stroomden over haar wangen, de pijn was ondraaglijk! Zo’n pijn had ze nog nooit gevoeld. Het was alsof haar bloed die bij haar enkel vandaan kwam in brand stond. Toen haar ogen een beetje gewend waren aan het donker, probeerde ze te ontdekken wat haar zo’n pijn deed. Op de tast zocht ze waar haar enkel lag, en toen sperde ze haar ogen wijdopen. Haar enkel lag in een vreemde bocht, en een enorme bobbel zat bovenop haar voet. Ze probeerde voorzichtig te voelen wat dat was, en toen ze haar wijs en middelvinger op de bobbel had gezet, kwam er een golf van misselijkheid opzetten. Al het eten dat ze die avond had gegeten, kwam er met een noodgang uit. Suze kokhalsde en gaf over. Die enorme bobbel op haar voet was niet zomaar iets. Dat was haar bot. Suze viel flauw, en een paar minuten later werd ze weer wakker. Een enorm opgelucht gevoel stroomde door haar heen toen ze een paar lichten aan zag komen. Hulp! Ze kwamen haar halen! Ze kwamen haar uit die ondraaglijke pijn verlossen! Het brandde nog erger als net, en Suze kon het niet verkomen dat ze begon te kreunen van de pijn. Een schreeuw dat je nauwelijks een schreeuw kon noemen, rochelde uit haar keel. Haar keel was droog, en de smaak in haar mond was vies. Er was bloed in gelopen, en toen Suze haar mond was nat wou maken met wat speeksel, voelde ze dat ze haar tong ook kapot gebeten had. Voorzichtig voelde ze aan haar gezicht, en voelde opgedroogd bloed op haar gezicht zitten. De verse korsten voelden ruw aan, en ze probeerde zich voor te stellen hoe ze eruit zou zien. Enkele minuten later keek Suze met wazige ogen naar de lichten die maar niet dichterbij leken te komen. Ze waren nog even ver, en ze bewogen ook niet. Als de lichten niet naar haar toe kwamen, dan ging zij wel die kant op. Kreunend trok ze zichzelf voort. Haar armen gooide ze naar voren en verbeet zich weer over de pijn in haar enkel. Toen trok ze zichzelf naar voren. Hijgend kwam ze weer stil te liggen. Ze kon niet verder. Het deed teveel pijn. Weer keek ze naar de bijna stilstaande lichten. Waren het wel lichten? Voor Suze zich dat af kon vragen, kwamen de lichten onmogelijk snel dichtbij. Toen schoot het door haar heen. Het waren geen lichten. Het waren de ogen van een wild zwijn. Ze zag de blikkerende slagtanden, voelde de stinkende adem in haar hals, en met een schreeuw sloeg Suze in het rond. Ze snakte naar adem, haar enkel! Weer schreeuwde ze het uit, de pijn was niet meer te verdragen! Ze begon zichzelf te slaan om van de pijn af te komen, haar armen maaiden door de lucht, en daarmee sloeg ze het zwijn ook. Door de pijn had ze geen controle meer over zichzelf. Het beest was op haar gesprongen, en ze voelde zijn harige huid in haar mond. Ze gilde, vocht, en probeerde het beest van zich af te gooien. Maar die vocht dapper terug. Zijn slagtanden hadden zich in haar been gezet, en Suze schreeuwde het uit toen het beest op haar enkel ging staan. Tranen stroomden uit haar ogen, en toen voelde ze de slagtanden van het beest in haar gezicht staan. Ze voelde een ruwe ruk, en toen het warme bloed uit de wonden over haar gezicht gutsen. Het laatste wat ze zag, waren de blinkende slagtanden van het zwijn, en toen viel ze weg.
_________________
We dance with two occasions: when it rains, and when it doesn't.
|