|
Stuk 31 Suze
Een paar tranen biggelden over haar wangen. Haar keel voelde opgezwollen aan en een snik borrelde op uit haar keel. Het gevoel dat ze net op de begraafplaats had gehad, zat nog steeds in haar lichaam. De ogen van Kars die haar doorboorden en recht door haar heen schenen te keken. Het gevoel dat die ogen uitstraalden en het verdriet dat door de aderen van Suze heen knalde. Alsof het haar eigen moeder was die ze was verloren. Toen ze zo weer nadacht, begon ze weer te huilen. De tranen vonden zich een weg over haar wangen en druppelden toen één voor één op haar sjaal, waar ze een donkere vlek achterlieten. De wind was nog harder gaan blazen en het was koud geworden. De koude lucht sneed door het dikke vest van Suze heen en dwong haar om haar armen om zich heen te slaan en zich warm te wrijven. Suze was na Kars’ uitbarsting niet meteen weggegaan. Ze had zich verscholen achter één van de afgebrokkelde stenen pilaren. Ze had hem horen praten, en zelf had ze mee lopen huilen. Ze was op haar knielen gevallen en had haar handen omhoog gegeven. ‘Waarom moest dit gebeuren?’ had ze gesnikt, terwijl Kars nog steeds gras uit de grond trok. Na een tijdje - Suze wist niet hoelang het geduurd had - was ze geluidloos opgestaan en was ze weggegaan op de fiets. Nu zat ze in een bushokje terwijl ze haar wangen afdroogde met haar paarse sjaal. Ze zuchtte even diep en keek naar de bladeren die door de straat rond ruisten. Even keek ze om zich heen, maar toen er niemand aan kwam stond ze op en liep ze snel naar de overkant, waar haar fiets stond. Weer keek ze om zich heen en stapte toen op haar fiets. Haar capuchon zette ze op en langzaam wierp ze haar gewicht tegen de wind in. Ze had tegenwind en haar fiets wiebelde gevaarlijk in de bochten. Ze kon niet meer. Suze’s schouders begonnen weer te schokken en haar fiets helde gevaarlijk naar rechts. Suze sprong en viel half van haar fiets af en begon de tocht naar huis te voet. De tranen liepen weer over haar wangen en terwijl ze ze wegveegde kwamen ze toch steeds weer terugkomen. ‘Wat moet ik doen?’, snikte Suze, ‘wat moet ik doen om Kars wat beter laten voelen? Waarom ben ik met hem meegegaan? Waarom had ik niet door dat zijn moeder overleden was en waarom heeft niemand mij dat gezegd, dan kon ik er rekening mee houden!’ Het was gaan regenen en de waterdruppels vermengden zich met de tranen die langs haar gezicht naar beneden liepen. Waarom had Kars het zelf niet aan haar verteld? Geschokt bleef Suze stilstaan bij de gedachte die toen haar hoofd binnenkwam. Toen begonnen haar schouders nog harder te schokken. Als hij haar niks verteld had, vond hij haar blijkbaar toch niet zo leuk als ze dacht. Suze liet haar fiets op de grond vallen en sloeg haar handen voor haar gezicht. Haar schouders schokten enorm. Suze kon zich zelf niet meer staande houden. Ze was in het park beland, die er nu door het regenachtige weer grijs en grauw uitzag. Langzaam begaven haar knieën het en zakte ze neer in de modderige brui onder haar. Tranen drupten in het bruine zand en mengden zich met de eerder neergevallen regendruppels. Hij voelde helemaal niks. Het was allemaal schijn. Hij had haar gewoon voor zich willen winnen, meer niet. Waarom had hij anders niet gezegd hoe het met zijn moeder zat? Dat soort dingen vertel je toch wel? ‘Suze?’ Geschrokken hief Suze haar hoofd op en draaide zich langzaam om. Toen ze Joy zag staan begon ze weer te huilen. ‘Suze? Suze, kom eens!’ Suze schudde haar hoofd, schokte en veegde haar gezicht af met haar doorweekte jas. Nog geen moment later voelde ze de armen van Joy om haar heen. ‘Meid, ik denk dat ik al weet wat er is gebeurd..’ fluisterde Joy. Suze haalde diep adem en liet zich meevoeren door Joy, die een arm om haar heensloeg en haar ondersteunde naar haar fiets. ‘Joy, ik..’ ‘Laat maar, Suze. Het maakt niet uit. Ik breng je naar mijn huis, kom maar.’ Suze liet haar begaan en strompelde snikkend mee naar de fietsen. Joy pakte Suze’s fiets op, zette hem tegen een boom en draaide het sleuteltje om. ‘Ik denk niet dat jij het fietsend red. Kom meid, we gaan naar huis.’ Samen liepen de vriendinnen naar het huis van Joy, dat niet ver van het park was. De lichtjes van de kaarsjes in huis brandden gezellig naar buiten, en de rood geverfde deur kreeg een oranje gloed door de lichtbrandende lantaarnpalen. Joy begeleidde Suze naar binnen. In de woonkamer aangekomen zag Suze dat Joy’s ouders niet thuis waren. Joy zette Suze op een stoel en sloeg een deken om haar heen. ‘Thee?’ vroeg Joy aan Suze. Suze knikte flauwtjes. Even later zaten de meisjes met een warm kop thee in hun handen naast elkaar. Suze snikte nog lichtjes na, en hing tegen Joy aan. Die had een arm om haar heen geslagen en wreef haar zachtjes over haar rug. ‘Zijn moeder is dood’ zei Suze, terwijl ze voor zich uitstaarde. Joy kneep even in Suze’s schouder, en zei toen: ‘Ik weet het, ik weet het’ ‘Waarom vertelde hij het niet?’ zei Suze, met weer een snik in haar stem. ‘Suze, ik snap dat je het niet begrijpt, maar bekijk het van zijn kant. Hij is enigs kind, hij had een ontzettend goede band met zijn ouders, dus ook met zijn moeder. Toen zijn moeder overleed is hij weken niet naar school geweest zonder dat zijn vader van iets wist. Nog steeds praat hij er met niemand over, zelfs niet met Youssef en Davy. Suze, probeer je in hem te verplaatsen, het is ontzettend moeilijk voor hem.’ Suze slikte even, en er biggelde weer een traan langs haar wang. Ze veegde hem weg met de rug van haar hand, en zei toen met een lach door haar tranen heen: ‘Ik hou van hem’ Joy glimlachte, en Suze zag dat er bij haar ook de tranen in haar ogen lagen. ‘Hij ook van jou, Suze, hij ook van jou.’
_________________
We dance with two occasions: when it rains, and when it doesn't.
|